Van een lichtmastenplan naar een doordacht lichtontwerp
In de Nederlandse praktijk wordt openbare verlichting gezien als een technische installatie die aan een ontwerp wordt toegevoegd. Het ontwerp van die installatie komt pas aan bod als het ontwerp van de openbare ruimte al helemaal klaar is, zelfs inclusief de posities van bomen. De lichtontwerper krijgt dan de vraag of ze even kunnen aangeven waar de lichtmasten moeten komen. Er wordt geen lichtontwerp gemaakt, maar een plan voor lichtmasten.
In veel plannen ontbreekt een belangrijk aandachtspunt: wat gebeurt er in die omgeving in de avond? Daar wordt te weinig over nagedacht, de landschapsarchitecten en stedenbouwkundigen maken plannen voor een omgeving waar de zon nooit ondergaat. Terwijl de beleving en het gebruik van de ruimte in de avond en nacht wel degelijk flink af kan wijken. En de gebruikers zelf? Mensen met een visuele handicap hebben vaak grote moeite om hun weg te vinden in een omgeving met slechte contrasten en goedbedoelde maar onhandig geplaatste obstakels. Een goede landschapsarchitect zou het vallen van de avond niet moeten negeren, maar het juist moeten zien als een kans. In een goed ontworpen avond- en nachtbeeld wordt meer gewandeld en gefietst en worden andere mensen ontmoet. Dat draagt bij aan het woongenot.
En flora en fauna? Nederland is zwaar verlicht, horen we vaak. Dat valt wel mee, we zijn best wel zuinig met verlichtingssterktes, maar Nederland is in vergelijking met de rest van Europa wel sterk verstedelijkt en we gebruiken op veel plekken licht. Dat brengt ons steeds vaker in conflict met de belangen van flora en fauna. Die belangen komen in een “lichtmastenplan” nauwelijks aan bod. Een goede lichtontwerper houdt ook rekening met het beschermen van biodiversiteit en beperken van lichtvervuiling, mits, en dat geldt voor alle hiervoor genoemde aandachtspunten, de ontwerper in staat wordt gesteld om op tijd mee te denken.